Zelfredzaamheid en meritocratie

Mickey Bramer
September 8, 2026
4 minuten
Download rapport

Zelfredzaamheid en meritocratie

 

Het tweede deel van een reeks over zelfredzaamheid als ideaal binnen het sociaal domein. Dit keer: meritocratie, en de voor- en nadelen daarvan.

 

In mijn nieuwsbericht van 27 augustus stelde ik dat je op twee manieren kunt motiveren waarom zelfredzaamheid zo centraal staat binnen het sociaal domein. Enerzijds kun je een beroep doen op het belang voor de burger zelf: zelfredzaamheid levert autonomie op. Anderzijds doet zelfredzaamheid recht aan de verantwoordelijkheid die elke burger heeft om voor zichzelf te zorgen. Ik schreef verder dat als je alléén op die tweede bouwt en de burger zelf uit het oog verliest, er geenruimte is voor solidariteit, de lijm van een samenleving. ‘Ieder het zijne’ zorgt voor een hoop los zand.

‘Ieder het zijne’ hangt sterk samen met ‘ieder krijgt wat die verdient’. Dat laatste wordt ook wel meritocratie genoemd (met merites = verdienste). In dit artikel houden we dat idee tegen het licht.

 

Een eerlijke verdeelsleutel

Meritocratie betekent dat de ‘winnaars’ van een competitie ook echte de ‘beste’ moeten zijn; dat ze winnen is hun eigen verdienste. Denk bijvoorbeeld aan een hardloopwedstrijd: er zijn veel deelnemers, en maar 3 podiumplekken. Hoe verdeel je die? Simpel: je kiest de snelsten. Zaken als afkomst, etniciteit, nationaliteit zouden niet uit moeten maken. Door puur en alleen snelheid (verdienste) als verdeelsleutel te gebruiken, creëren we een open speelveld en is de uitkomst eerlijk.

Dit ideaal is gedurende de 20e eeuw, en zeker sinds de jaren ’80 van Thatcher en Reagan, steeds dieper doorgesijpeld in onze samenleving. Ook op maatschappelijke schaal valt hier iets voor te zeggen: het voelt logisch en terecht als de ondernemer met het waardevolste idee het rijkst wordt. Het open speelveld betekent in deze context sociale mobiliteit: een maatschappelijke ladder waarop je kunt klimmen en dalen, ongeacht je afkomst.

Hoe mooi dit ook klinkt, de grap is dat de bedenker van de term ‘meritocratie’, Michael Young, het satirisch bedoelde: hij schreef er een dystopie over. Waarom?

 

Verdienste staat niet opzichzelf

De eerste reden is pragmatisch: kán dat wel, een open speelveld? Tal van statistieken tonen aan dat onze sociale mobiliteit veel te wensen overlaat: waar je wieg staat en wie je ouders zijn bepaalt in toenemende mate je kansen in het leven. Het is een ladder waar de losse treden te ver van elkaar af staan; je komt bijna niet bij de volgende (of vorige). En het is een open vraag of die treden überhaupt wel dicht genoeg bij elkaar kúnnen komen. Hoe haal je de invloed van je wieg weg?

En zelfs al zou dat kunnen: welk aandeel van je verdienste is daadwerkelijk aan jou toe te schrijven? Zelfs in een perfecte meritocratie ben je afhankelijk van je genen, en van de waarde die een specifieke samenleving aan jouw specifieke verdienste toekent. Als Messi geboren was in het Frankrijk van 1400 was hij een stuk minder ver gekomen. Zijn talenten zouden minder tot ontwikkeling gekomen zijn (want er waren minder middelen voor) en minder gewaardeerd zijn geweest (want de lokale boeren en monniken hadden wel andere dingen aan hun hoofd dan voetbal). Als iemands verdienste niet los gezien kan worden van iemands omgeving, hoe logisch is het dan om die verdienste als verdeelsleutel te nemen?

 

Geïnternaliseerd stigma

In het derde en laatste nadeel kunnen we een expliciete koppeling maken naar het sociaal domein. Merk namelijk op hoe de analogie van sport en ladder een wedstrijd impliceren, een onderlinge competitie. Daar lijkt al iets mis te gaan: samenleven ís geen wedstijd. Het kan soms wedstrijdelementen bevatten, natuurlijk, maar het is veel meer dan dat - net als dat de waarde van een mens veel breder is dan wat die kan produceren (verdienste).

En als competitie de smaak van onze samenleving is, dan moeten we niet gek opkijken als dat ook de bijbehorende sentimenten creëert. Er zullen ‘winnaars’ zijn, die zichzelf op de borst kloppen en geloven dat hun succes helemaal aan henzelf te danken is. Dit kan leiden tot arrogantie, en minachting van de verliezers (‘moeten ze maar harder werken’). De ‘verliezers’ zullen hun verlies internaliseren en zich minderwaardig gaan voelen (‘ik ben een mislukking’).

Dit geïnternaliseerde stigma zie je in de praktijk terug in het sociaal domein. Toen ik zelf klantbegeleider was van bijstandsgerechtigden waren zulke sentimenten dagelijkse kost. Schrijnend om te zien, en bovendien contraproductief als je zelfredzaamheid wil bevorderen. De paradox is: hoe meer je zelfredzaamheid benadrukt, hoe meer geïnternaliseerd stigma, hoe moeilijker het wordt om zelfredzaam te worden (‘want ik kan het toch niet’).

Young voorspelde overigens ook dat de ‘winnaars’ en ‘verliezers’ tegenover elkaar zouden komen te staan; minachting tegenover rancune. Hij sprak over de opkomst van extreme (politieke) bewegingen, voortgedreven door wroeging richting ‘de elite’. Klinkt bekend?

 

Solidariteit

Een oplossing is de meritocratie verzachten: enerzijds inzetten op een open speelveld, anderzijds erkennen dat ieders levensloop afhankelijk is van toeval en omstandigheden. Die erkenning begint bij inzien dat we allemaal mensen zijn met kwetsbaarheden en noden, overgeleverd aan krachten buiten onze invloed - hoe graag we dat soms ook willen ontkennen. Uit medemenselijkheid zouden we dan een tweede verdeelsleutel kunnen toevoegen: ‘ieder krijgt wat die nodig heeft’. Met andere woorden: solidariteit.

In het sociaal domein krijgt dit gelukkig ook steeds meer voet aan de grond. De Participatiewet in Balans, de focus op maatwerk en ‘de menselijke maat’, ademen allemaal deze geest. Maar de dagelijkse praktijk leert ook dat dit nog abstracte begrippen zijn, en dat we nog lang niet zijn waar we willen zijn.

 

Bij ZINZIZ werk ik elke dag aan het bevorderen van beide verdeelsleutels: eerlijk én solidair. Geïnspireerd? Neem gerust contact op!